Hogeschool Utrecht

Ik wil je vertellen over een verandering bij de Hogeschool Utrecht. Die verandering zorgt ervoor dat de motivatie bij studenten toeneemt. Ik geef je straks ook een concrete tip hoe je hetzelfde bij schrijftraining kan doen.

 

In de kantine van de Faculteit Communicatie en Journalistiek van de Hogeschool Utrecht kwam ik Dries Verwaaijen tegen. Hij vertelde me dat hij en zijn collega’s het programma en de aanpak van de opleiding Communicatiemanagement volledig hadden omgegooid.

Blind leiden

‘Wat we hebben gedaan? Ik zal je een voorbeeld geven’, zei Dries Verwaaijen. ‘In het tweede jaar gaan de studenten een paar dagen naar de hei. Daar doen we een oefening. De studenten zitten allemaal vast aan een touw. Alleen de voorste en de achterste zijn niet geblinddoekt. Die twee leiden de anderen over een hindernisparcours. Na afloop bespreken we dan leiderschapsstijlen. Althans, zo deed ik het vroeger.’

 

‘Nu doe ik het een beetje anders. Ik vraag eerst wie voor wil. Aan degene die voorop wil lopen, stel ik een vraag. Ik vraag wie van zijn medestudenten een kwaliteit heeft die hij zelf ook graag zou willen hebben. Als hij die medestudent heeft aangewezen en de kwaliteit heeft benoemd, beginnen we. De student met de begeerde kwaliteit gaat achteraan. De student die voorop wil, gaat voor. De anderen, geblinddoekt, ertussen. Die kleine wijziging maakt een wereld van verschil.’

 

‘En?' vroeg ik. Verwaaijen: ‘Misschien is wel de belangrijkste verandering dat de studenten nu veel meer meedoen, veel meer verantwoordelijkheid nemen. Ik doe minder, zij doen meer. Precies wat er beschreven wordt bij Appreciative Inquiry, bij Positieve psychologie en bij bijvoorbeeld de Schrijfcarrousel.’ 

 

Schrijftraining en Positieve psychologie

Bij schrijftraining kan je het concept van Verwaaijen ook toepassen. Geef de studenten verantwoordelijkheid. Betrek ze bij het leerproces. 

 

Hoe ik dat doe? Nou bijvoorbeeld zo. Ik vraag deelnemers bijvoorbeeld om in pak ‘em beet 3 minuten een tekst te schrijven die de andere deelnemers zich over een jaar nog herinneren. Na die 3 minuten leest iedereen zijn werk voor. Daarna heb ik een programma waarin ik iets vertel over retorica. Een pauzeprogramma, zeg maar. Dan vraag ik de deelnemers allemaal om de twee teksten te noemen waarvan de kans het grootst is dat ze zich die over een jaar nog herinneren. Ik noteer de score. Uiteindelijk zijn er dan wel twee of drie teksten die eruit springen. Ik vraag  aan de deelnemers die erop gestemd hebben waarom ze dat deden. Het doel is een tiplijst, op flapover of smartboard. Concrete nabootsbare technieken. Zoals: ‘er zit een voorbeeld in dat ik voor me kan zien.’ Belangrijk: achter elke techniek of tip schrijf ik de naam van de auteur van de tekst waarop de tip is gebaseerd.

 

Maar dan ben ik nog niet klaar. Als de deelnemers een tekst hebben geschreven, vraag ik ze die erbij te pakken. Ze gaan dan in tweetallen aan de slag. Ze nemen de tekst van een van beiden. Dan kiezen ze een tip van de tiplijst en die gaan ze toepassen op hun eigen tekst. En natuurlijk mogen ze tussendoor advies vragen aan de auteur uit wiens tekst de tip oorspronkelijk afkomstig is.

 

Als iedereen klaar is, na een kwartiertje, dan vraag ik wie zijn werk wil voorlezen. Ik vraag aan de auteur of hij ook feedback wil. Is het antwoord ‘ja’, dan vraag ik eerst aan degene wiens naam achter de tip staat of de tip correct is uitgevoerd. Daarna vraag ik aan een paar deelnemers of ze vinden dat de tekst beter is geworden.

Werkvormen die werken

Wat Dries Verwaaijen doet, dat kan jij ook. In mijn workshops, bijvoorbeeld de Schrijfcarrousel-workshop vertel ik erover. Hoe krijg je gemotiveerde studenten die zich eigenaar voelen van alles wat ze leren? Hoe wordt het voor jou makkelijker en voor de student nog veel interessanter?

 

Hier vind je het aanbod van de School voor Schrijftraining of ga naar de website van de Schrijfcarrousel en schrijf je in voor een van de workshops.

 

Freerk Teunissen 18 december 2012