De kracht van draaiende stoelen

Over de achterliggende principes van het boek Tekststructuur verscheen een artikel in Tekstblad. De tekst van dit artikel staat hierna.

 

De kracht van draaiende stoelen. Omkering als didactisch principe bij schrijftraining

 

door: Freerk Teunissen

 


The Voice of Holland bleek een kijkcijferkanon en bracht een revolutie teweeg onder de makers van talentenjachten op televisie. Het geheim: de draaiende stoelen. Achter die stoelen gaat een principe schuil dat al jarenlang wordt ingezet bij games en dat al eeuwenlang wordt ingezet in de literatuur. Wat nu als je dat ook inzet bij schrijftraining? Dan gaan studenten op het puntje van hun stoel zitten.

 

In 2010 kwamen John de Mol en Roel van Velzen met een innovatie. De draaiende stoelen. Het werkt als volgt. Een deelnemer zingt een liedje voor drie coaches die met hun rug naar het talent toezitten. Alleen als er een of meer coaches hun stoel omdraaien, mag het talent door naar de volgende ronde. Als er aan het eind van het liedje meer dan één coach is omgedraaid mag het talent kiezen door wie hij gecoached wil worden. Samen met de coach bereidt het talent zich dan voor op de liveshows waar hij elke aflevering weer door het publiek weggestemd kan worden.

 

De rol van beoordelaar en beoordeelde wordt in The Voice of Holland af en toe voor even omgedraaid. Natuurlijk, de talenten worden beoordeeld, maar er gebeurt meer. Wat als coach Marco Borsato zijn stoel alleen omdraait bij zangers die er bij de eerste ronde in de liveshows uitliggen? Of wat als Roel van Velzen draait, maar de zangers, als ze de keuze hebben, toch telkens voor een andere coach zouden kiezen? De coach wordt ook beoordeeld.

 

moment

zanger

coach

blinde auditie

beoordeelde

beoordelaar

meerdere stoelen zijn omgedraaid

beoordelaar

beoordeelde

liveshows

beoordeelde

beoordeelde

 

 

 

 

 

 

Omkering

Omkering als motor van succes. In de literatuur is het alomtegenwoordig. De jonge daders in Herman Kochs Het diner blijken misschien zelf ook slachtoffer. De hoofdpersoon in De aanslag van Harry Mulisch vraagt zich af wie er schuldig is aan de dood van zijn ouders en evenzo vaak denkt hij dat de schuldvraag onbeantwoordbaar is en dat het uiteindelijk alleen maar een speling van het lot genoemd kan worden. Othello houdt zo veel van Desdemona dat hij haar uiteindelijk doodsteekt.

 

Karl Kapp beschrijft in zijn standaardwerk Gamification hoe omkeringen de aantrekkingskracht van veel games verklaren. Neem het spel MMOWGLI, dat is ontwikkeld door het Amerikaanse Office of Naval Research. Spelers kunnen kiezen of ze de rol op zich nemen van piratenbestrijders of juist de rol van piraten. Maar dat is niet de enige omkering. De marine hoopt met dit spel nieuwe ideeën te krijgen voor de aanpak van piraterij in de Golf van Aden en de Hoorn van Afrika door de aanpak van duizenden en duizenden gamers te bestuderen. Crowdsourcing. Gamers als piratendeskundigen - achter een beeldscherm.

 

Alineavrijheid

Hoe werkt dit bij schrijftraining? Ik zal een concreet voorbeeld geven uit het lesprogramma dat is ontwikkeld bij het boek Tekststructuur. De werkvorm heet Alineavrijheid en is bedoeld om studenten zich ervan bewust te maken dat kennis over de structuur van tekst het mogelijk maakt om een tekst gemakkelijker aan te passen aan de wensen van een doelgroep. De effectiviteit valt te verklaren vanuit de omkering.

 

Alineavrijheid gaat als volgt. Alle studenten krijgen een recensie te lezen. De recensie bestaat uit een intro en uit alinea's. Elke alinea heeft een kernzin die in de rest van de alinea wordt ondersteund. De studenten lezen de tekst en bepalen met de docent wat de kernzinnen zijn. Uiteindelijk gaat het om één alinea. De studenten vormen tweetallen en elk tweetal kiest een tijdschrift naar keuze. Dat kan de Viva zijn, of Science, of Panorama, of De Groene of een andere. De opdracht voor elk tweetal is nu om de kernzin te laten staan, maar de rest van de alinea zo te herschrijven dat die past bij het gekozen periodiek. Na tien minuten zijn alle alinea's herschreven, op flip-over heeft de docent een lijst geschreven met alle titels die door de tweetallen zijn gekozen. Nadat een tweetal een alinea heeft voorgelezen, raden de andere studenten welk periodiek het tweetal op het oog had. Daarna vraagt de docent of de kernzin inderdaad adequaat is ondersteund. Als alle alinea's zijn voorgelezen stelt de docent de vraag hoe het eigenlijk kan dat je kennelijk kunt raden voor wie een tekst geschreven is. Woordkeus? Alineaondersteuningswijze? Zinslengte? Manier waarop de lezer wordt aangesproken? Inhoud? Stijl?

 

Aansluiten bij degene die leert

Alineavrijheid is ontworpen in lijn met de ideeën van David Kolb en Howard Gardner die stellen dat lesstof moet aansluiten bij de leerstijl van de student. Dat is hier ook het geval: na ongeveer een half uur hebben studenten voorbeelden gezien, ze hebben uitleg gehad, ze hebben een opdracht gedaan en ze hebben de mogelijkheid tot reflectie gehad. Maar er is meer gedaan. Bij Alineavrijheid wisselen studenten van rol. De omkering vindt op drie niveaus plaats. Ten eerste omkering van sociale verhouding: de rol van beoordeelde en beoordelaar. Ten tweede een omkering van taak: studenten wisselen schrijven en lezen af. Ten derde een omkering van het klassieke onderwijsframe.

 

De eerste twee omkeringen zijn eenvoudig te herkennen. Allereerst worden studenten op het ene moment beoordeeld en een volgend moment nemen ze de rol van beoordelaar op zich. Als ze hun herschreven alinea voorlezen, dan worden ze beoordeeld. Herkennen medestudenten wel welk tijdschrift ze op het oog hadden? Is de kernzin wel adequaat ondersteund? Als ze luisteren naar het werk van een ander tweetal, dan hebben ze de rol van beoordelaar. Daarnaast zijn studenten afwisselend aan het lezen en aan het schrijven. Eerst lezen ze een tekst en analyseren ze wat de kernzin is. Daarna (her)schrijven ze een alinea. Vervolgens zijn ze weer lezer en luisteren ze naar de alinea's van medestudenten.

 

Expert of novice

Maar ook het onderwijsframe wordt omgedraaid. Volgens een klassieke opvatting over onderwijs leren studenten iets wat ze nog niet kunnen of kennen van iemand die zich die kennis of kunde al wel eigen heeft gemaakt. Dit is ook de rolverdeling bij aanvang van Alineavrijheid: de docent neemt de rol van expert op zich en legt uit wat kernzinnen zijn. Maar zodra het laatste tweetal aan de beurt is geweest worden de rollen omgedraaid. Want wat als geen enkel tijdschrift goed is geraden? Klopt de lesstof dan niet? Of ligt het aan de docent: is die vergelijkbaar met een coach die alleen zijn stoel omdraait bij kansloze zangers? Al bij aanvang weten de studenten - bewust of onbewust - dat dit moment eraan komt dat ze ook het werk van de docent kunnen beoordelen.

 

Nu is die quiz alleen wat speels. Die quiz is zeg maar een aanleiding, want het beoordelen van het werk van de docent heeft wel een wat diepere werking. Het gaat om een omkering van de rol van expert en novice. Na de quiz nemen de studenten de rol van expert op zich. Of eigenlijk van ervaringsdeskundige: ze hebben net ervaren dat ze kennelijk herkennen wie de doelgroep van een tekst is (of niet) en ze gaan nu uitleggen hoe dat kan. Ze bespreken hun eigen ervaring. (Uiteraard kan een docent daarna weer aanvullen).

 

Verklaring

Omkering als principe is niet nieuw. Er zijn veel didactische methoden die er gebruik van maken. Denk aan Observerend Leren, waarbij studenten de opdracht krijgen om de werkwijze van medestudenten te bekijken. Of aan Appreciative Inquiry van David Cooperrider, waarbij een leerproces begint met het in kaart brengen van kwaliteiten die al aanwezig zijn bij de studenten. Of denk aan Daltononderwijs waarbij studenten zelf een planning maken van hun werk en zelf bepalen welke ondersteuning ze bij welke taak willen ontvangen of willen verlenen.

 

Maar wat is nu het werkende mechanisme? Wat gebeurt er bij een omkering? Een clou is te vinden in onderzoek van Evan Polman en Kyle Emich uit 2011. Zij legden 137 studenten een probleem voor. Een man is opgesloten in een toren, er is een raam en hij heeft een touw, maar dat touw reikt maar tot de helft van de toren. Hoe kan hij ontsnappen? Emich en Polman vroegen de ene groep studenten zich voor te stellen dat ze zelf in die toren zaten en moesten ontsnappen. De andere groep werd gevraagd dit probleem voor een ander op te lossen. In de tweede groep vonden meer studenten de oplossing en ze vonden die sneller. Dit onderzoek staat niet op zich. Het is keer op keer herhaald: als we ons voorstellen dat we een probleem voor een ander oplossen, dan zijn we creatiever en innovatiever.

 

Hoe zit dat dan bij Alineavrijheid? Je doet drie dingen. Ten eerste vraag je studenten niet om voor zichzelf een alinea te herschrijven, je vraagt ze dit om zo een quiz mogelijk te maken. Ten tweede bied je studenten de mogelijkheid om invloed te hebben. Sommige studenten worden meer getriggerd door de mogelijkheid tot samenwerken (alleen als alle tweetallen een alinea herschrijven is de quiz mogelijk), andere studenten zijn meer gefocust op winnen (sommige studenten schrijven prachtige alinea's of willen als eerste raden welk periodiek een ander tweetal op het oog had). Ten derde krijgen studenten de mogelijkheid om de docent en de lesstof te beoordelen. Niet zelf onderzoeken of je zelf de lesstof wel snapt, nee kijken of de docent het wel snapt.

 

Als je er een klassieke opvatting over onderwijs op na houdt, dan liggen de verhoudingen redelijk vast. De docent is degene die iets kent of kan en hij zorgt ervoor dat de student - die dat nog niet kent of kan - zich die kennis of kunde na een interventie heeft eigengemaakt. De docent is de expert, de student de novice. De docent beoordeelt, de student wordt beoordeeld. Computergames hebben die rolverdelingdeling al jaren achter zich gelaten, televisieshows veranderen in kijkcijferkanonnen als ze dat doen. Misschien dat ook schrijftraining effectiever is als de klassieke opvatting - af en toe voor even - wordt losgelaten.

 

 

literatuur:

Cialdini, R.B. (2009). Invloed. De zes geheimen van het overtuigen. Den Haag:

Academic Service.

Cooperrider, D.L. & Whitney D. (2005). Appreciative Inquiry. A Positive Revolution

in Change. San Francisco: Berrett-Koehler Publishers.

Fiske, J. (1987). Television Culture. Londen en New York: Routledge.

Kapp, K.M. (2012). The Gamification of Learning and Instruction: Game-Based Methods and Strategies for Training and Education. San Francisco:Pfeiffer.

Polman, E. & Emich, K.J. (2011). Decisions for Others Are More Creative Than Decisions for the Self. Personality and Social Psychology Bulletin, 37(4), 492-501.

Scharmer, C. (2009) Theory U. Leading from the Future as It Emerges. San Francisco: Berrett-Koehler Publishers.

Teunissen, F.M.J. & Vooren-Fokma, A. van de (2014). Tekststructuur: effectiever en efficiënter schrijven. Bussum: Coutinho.

 

 

 

Over Freerk Teunissen

Freerk Teunissen studeerde Culturele Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is ruim 15 jaar schrijftrainer en ontwikkelt schrijftrainingsmethoden zoals De Schrijfcarrousel®, die in 2011 werd gepresenteerd op het congres van het Genootschap Onze Taal. In april verschijnt Tekststructuur bij uitgeverij Coutinho dat hij samen met Aleid van de Vooren-Fokma schreef.

 

Bestellen

Het boek Tekststructuur bestellen? Ga naar de bestelpagina op de site van uitgeverij Coutinho.

 

Webondersteuning bij het boek

Bij het boek hoort ook een website. Lezers van het boek vinden daar oefeningen en uitleg waarmee ze direct teksten verbeteren.

 

Informatie voor docenten en trainers

Voor docenten en trainers is er een uitgebreide trainershandleiding. Die vraag je aan nadat je eerst een beoordelingsexemplaar van Tekststructuur hebt aangevraagd. 

Vraag een beoordelingsexemplaar aan

 

Meer weten?

Sprankelend schrijfonderwijs. Studenten op het puntje van hun stoel. Studenten niet wat trucjes leren, maar ze echt leren schrijven. De School voor Schrijftraining inspireert docenten en trainers schrijfonderwijs beter en sprankelender te maken. Bel meteen 035-7370236 of bekijk het aanbod van de School voor Schrijftraining.